vrijdag 14 januari 2011

Zaltbommelse Sint-Maartenskerk vijf keer door bliksem getroffen

door Marina Bams - van der Staaij (Augustus 2010)





het Kerkportret

In de Zaltbommelse Sint-Maartenskerk hangt een schilderij waarop de kerk in al haar glorie staat, inclusief de eerste spits. Of de spits, in gotische stijl, er inderdaad zo heeft uitgezien weten we niet. Het schilderij, bekend als het Kerkportret, is namelijk geruime tijd na een blikseminslag waarbij de torenspits afbrandde, geschilderd. Waarschijnlijk in 1562. Men meent dit jaartal op het schilderij ontdekt te hebben in de halfronde blinde nis in de middelste travee van het knekelhuis. We nemen dit voorlopig voor waar aan.

Voor dit artikel is het jaartal niet belangrijk. Wel van belang is wat onder het schilderij te lezen staat. Het is van later datum en is een jaarrijm in het Latijn. 



HaeC habVIt tUrrIs fastIgIa fULMIne fLagrans,
CorrVIt aC toto VertICe nUda stetIt



Door de er op voorkomende Romeinse hoofdletters bij elkaar op te tellen komt men aan het jaartal 1538, het jaar dat de spits zou zijn afgebrand. Dit jaarrijm ook wel chronogram of chronologicon genoemd, is van de hand van Jan Aertszn. de Bije (1554-1625).

Er is een vertaling van dit jaarijm:
"Voordat het bLIXeMs VUUr zIIn hooChte stak In brand, Soo stond dIt sChoone spIts hIer praChtICh opgepLant."


De Bije heeft, naar wordt aangenomen, nog twee inmiddels verdwenen chronologicons op zijn naam staan. Of de erop voorkomende feiten en jaartallen kloppen, weten we niet. Het jaartal bij het Kerkportret klopt in ieder geval niet.



kronikeur Jan de Bije

Jan de Bije wordt geboren in 1554, studeert rechten in Leuven en is het Latijn goed machtig. De Bije bekleedt tal van publieke functies. Hij is evenals zijn vader Aert Hermans de Bije (1518-1580) burgemeester van Bommel. Daarnaast is hij o.a. dijkgraaf van de Bommelerwaard en secretaris van de Schepenbank van Bommel. In 1604 gaan Jan de Bije en Petrus Moliaert als afgevaardigden van Bommel naar de vergadering van de Overijsselse en Gelderse Hanzesteden in Arnhem. Zo te zien was hij een bezig baasje en dan had hij ook nog tijd zijn hobby geschiedenis te beoefenen. Naast de drie chronologicons heeft hij ons op dit gebied twee kronieken nagelaten.

1. "Brevis rerum in Geldria et ab Geldriae ducibus gestarum epitome" (kroniek der geschiedenis van Gelderland tot en met 1624). 
2. "Chronijk van de stad Zalt-Boemel sedert den jaare 998 tot op het jaar 1542".

    eerste kroniek

    De eerste kroniek ligt op het Streekarchief met daaraan toegevoegd enige correspondentie. Deze correspondentie bestaat uit een brief uit 1855 van het Historisch Genootschap aan de historicus en tevens uitgever Isac Anne Nijhoff te Arnhem met het verzoek over deze kroniek verslag te uitbrengen. Deze antwoordt: "Op grond van het een en ander vind ik geen vrijheid om de uitgave van de kroniek in haar geheel aan te raden; het komt mij voor, een werk te zijn, waarvan de vruchten geenszins aan de moeite en kosten zouden beantwoorden."
    Op 30 maart 1868 koopt ds. J.G.R. van Acquoy de kroniek van Martinus Nijhoff, de zoon van Isac Anne, en betaalde f18,70 inclusief verzendkosten.


    tweede kroniek

    Waar de tweede kroniek ligt is onbekend. Deze is wel afgedrukt in de "Nieuwe Bommelsche Comptoir en Schrijfalmanak voor het jaar 1775 e.v. jaren" en gedeeltelijk in "Deze Week te Zaltbommel"  van 20-11-1965.
    Het een en ander is te raadplegen in de bibliotheek van het Stadskasteel. Ook J.H. De Groot (zie gedrukte bronnen), zo blijkt uit zijn boek "Zaltbommel Stad en Waard door de eeuwen heen" uit 1979, kent de inhoud en citeert er uit.


    woelige jaren

    Aan de hand van de kronieken krijgen we een aardig beeld van wat er in Zaltbommel gedurende de jaren 998-1542 zoal gebeurde en welke rampen de stad hebben getroffen. Maar is het waar wat De Bije schrijft en was er voldoende archief­materiaal voorhanden?

    De tijd waarin De Bije leefde was een moeilijke tijd waarin veel gebeurde. Zaltbommel gaat over van het bisdom Utrecht naar het nieuwe bisdom Den Bosch en ook de reformatie en een groot deel van de Tachtigjarige Oorlog maakt hij mee. Veel archieven zullen in die tijd verspreid zijn geraakt. Ze liggen nog steeds op allerlei plaatsen tot in Brussel toe en zijn nog steeds niet gelezen. Ze kunnen al dan niet bewust vernietigd of zoek geraakt zijn zoals in latere tijden ook gebeurde, doordat ze in particu­liere handen waren terecht gekomen.

    Zoals hierboven beschreven is er kritiek op zijn kroniek van 1624. Dat kunnen we ook hebben op die over de periode 998-1542.


    kritiek op de kronieken

    Enige overdrijving is De Bije niet vreemd. Zo lezen we dat in de periode 1400-1439, 9000 mensen aan de pest zijn overleden. Uit het belastingkohier van 1369 blijkt dat de stad in dat jaar waarschijnlijk 2000 inwoners telde.
    Ook bij andere feiten kunnen we vraagtekens zetten. Zoals bij de vele branden die de stad en de kerk treffen. We beperken ons tot de kerk.

    In 1303 wordt het kapittel gesticht. Klopt. In 1304 wordt de kerk gewijd. Welke kerk, want er stond er al één. Veel later meent men dat daar het nieuwgebouwde koor mee werd bedoeld. Maar is dat al klaar in 1304? We lezen het nergens.
    Men suggereert tevens dat de Utrechtse bisschop (Guy van Avesnes) dit koor heeft gewijd. Dat kan niet, want hij zit in 1304 gevangen in Vlaanderen en komt pas in 1305 op vrije voeten.


    branden

    In 1368, zo meldt de kroniek, brandt de kerk af. Men meent jaren later dat het koor wordt bedoeld, want de oorspronkelijke kerk blijft gewoon in gebruik. In 1462 brandt niet alleen de helft van de stad af, maar ook de kerk en de toren lopen schade op.
    Is daar enig bewijs voor? Een aanwijzing zou kan zijn dat voor de huidige kapel achter de preekstoel, het voormalig Heiligdomskoortje (geen van Balverenkapel), misschien een oudere kapel met een aflopend lessenaardakje heeft gestaan. Een "moet" in de kerkmuur was begin vorige eeuw nog zichtbaar. Dit zou erop kunnen wijzen dat deze kapel door brand is verwoest. Het kan ook zijn dat men voor het bewaren van relieken en andere kostbaarheden een mooiere en grotere kapel heeft willen bouwen (zie Sint Maarten Bulletin nr. 30).


    blikseminslag in 1538

    Op Hemelvaartsdag 1538 wordt de kerk door blikseminslag getroffen. We kunnen dit lezen in de kroniek van Jan de Bije. Hij heeft deze mogelijk 60 jaar of nog later na 1538 geschreven. Jan de Bije wordt pas 16 jaar na dato geboren. Hij kan, toen hij zijn verhaal schreef, daar zijn eigen visie aan geven omdat er waarschijnlijk geen ooggetuigen meer leefden. Toch is er een ooggetuigenverslag.

    Dit ooggetuigenverslag is te lezen in een artikel dat in 1966 verschijnt in "Archief voor geschiedenis van de Katholieke kerk in Nederland" van de hand van A.M. Frenken. Hij heeft de kerkrekeningen (1534-1548) en diverse kapittelrekeningen bekeken en citeert eruit in zijn artikel "Bommelensia". Het is een heel ander verhaal dan dat van De Bije.
    De Groot noteert op blz. 123 in zijn boek de beide versies. Heeft niemand het verschil tussen de beide versies opgemerkt of willen opmerken?

    Het Zaltbommelse kroniekje schrijft over deze torenbrand:

    "Op ons liefst Heeren Hemelvaartsdag ’s avonds omtrent zes á zeven uren, als het zeer regende en donderde, met een groten donderslag, is de Boemelse kerktoorn aangesteken omtrent onder den pijnappel, en is alzoo den ganschen nacht al nederwaards gebrand met al dat kruiswerk tot dat wulfsel boven de klokke toe, daar stuitte het, en daar is anders geen schade van die brand gekomen dan alleen aan den toorn; en op de kerk viel in twee gevalle van den verbranden hout, dat van boven neerviel. Item den pijnappel met het kruis, daar de makelaar doorgeboort was, viel te zamen van boven neder regt naar beneden dat cnekelhuis."

    De kerkrekeningen vermelden over de brand van 30 mei 1538:

    "soe ons kerrick, Got betert, op Assentionis Domini dach, anno ut supra, derliken doer den donder ende blixem verbrant yss, doer welleken brant die uutlaten der hoge kerrick mitten heyligen grafft ende dat funtkoerken ende Sunte Jacops koerken mitten tynnen aen den toren ende aen der kerken derliken ontstucken gefallen sijn, soe iest…"

    Een goede reden voor mij om naar het Bisschoppelijk Archief te gaan en de rekeningen zelf te raadplegen. Dan blijkt de kerk in korte tijd drie keer door bliksem te zijn getroffen. In 1538, 1545 en 1546.


    zuidwesten

    De torenspits is zo goed als zeker niet in 1538 afgebrand, maar in 1546. Ik schreef er al in 1999 over in het Sint Maarten Bulletin nr. 30. Het onweer kwam uit het zuidwesten. Volgens Reinier van den Berg van Meteo Consult is het zuidwesten de richting waaruit we onweer meestal kunnen verwachten. Doordat het onweer uit het zuidwesten kwam wordt het kerkgebouw getroffen door vallende brokstukken. Dit in tegenstelling tot wat Jan de Bije schrijft: "en is anders geene schade van dien brand gekomen dan alleen aan den toorn."
    Er is geen enkele reden aan te nemen dat er in dat jaar iets met de spits is gebeurd want er wordt nergens iets vermeld.


    grote uitgaven

    Waarschijnlijk is de kerk eind 1533 ook al eens door een onheil getroffen. Door welk weten we niet. Er worden namelijk in 1534 grote uitgaven gedaan.

    -   Voor zeven Brabants gulden komen er nieuwe planken op het koor.
    -   Zevenduizend leien worden bij Hendrick Morinck besteld en nog eens zesduizend leien in Dordrecht. Hier bovenop komen de uitgaven aan timmerlieden en leidekker.
    -   En Claes die glaesmaker ontvangt 34 gulden voor ijseren werrick dat hij in 1533 en 1534 aan de kerk en het koor verbesicht had.

    In 1538 raakt de noordelijke zijbeuk (met het Heilig graf, het funtkoortje en het Jacobskoortje) door blikseminslag beschadigd. De kerkmeesters gaan naar schepenen en burge­meesters. Zij geven de Heilige Geestmeesters de opdracht de kerk te "hantreijken" (helpen). Er wordt een overeenkomst gesloten.
    Eén van de punten is dat de kerkmeesters in ruil voor het geld dat zij ontvangen, de negen gulden voor de organist nu zelf moeten betalen. Het betreft hier Mr. Heijman Gielissen, die in 1534 door de kerkmeesters met consent (toestemming) van schepenen en burgemeesters is aangenomen als organist. Van de kerkmeesters ontvangt hij wekelijks zes stuivers om te Boemel brood en bier te kopen. Hij is niet de eerste organist, want hij heeft "voergangers". Zo weten we dat al vóór 1534 de kerk over een orgel beschikte.

    Mogelijk door de grote uitgaven (wanneer er o.a. dertienduizend leien voor het koor worden gekocht) wordt in 1534 besloten dat de Heilige Geestmeesters en de Gasthuismeesters de kerk jaarlijks zullen helpen in de vorm van negen gulden voor de organist. In datzelfde jaar hebben de kerkmeesters nog dertien stuivers extra gekregen. Het geld wordt direct uitgegeven aan arbeid voor de kerk, toren, Heilig Graf, sacristie en galmgaten. Ook de Begijnen (nonnen?) in Rossum ontvangen dertien stuivers. Over reparatiewerkzaamheden in 1538 lezen we niets. Omdat ze niet direct ten laste van de kerkmeesters kwamen?


    blikseminslag in 1545

    In 1545 wordt op de "Bossen kermisdach" door donderslag een groot deel van de leien van de hoge kerk (middenschip), de toren, de galmgaten en meer plaatsen van de kerk aan de oostkant weggeslagen. Van "den hoegsten tynnen" (balustrade) valt een pilaar op de kerk boven "Sinte Kathrien" door het dak in stukken. Het gevolg is dat er brand ontstaat. "Ende aen verstakst die swarck (zwerk) en bernden soe voll vuers was die swarck". Onder zwerk wordt het uitspansel verstaan. In dit geval de ruimte onder de kap van het schip. "Dess naechs gehuert vier wakers opter kerken om die te bewaren". Zij moeten op de omgangen van het zwerk kijken of er nog verborgen vuur te zien is. Is het mogelijk dat de brandsporen aan de klokkenstoel door deze brand zijn ontstaan?
    Er moet zo het nodige gekocht en gerepareerd worden. Bij Roelof Jansz. worden duizend leien besteld. "Hiermede rondom gestopt" (de weggeslagen leien aangevuld). Voor vijftien stuivers worden nagels en stopnagels (spijkers en spijkers met een platgeslagen kop ) gekocht. Jacob de leidekker werkt samen met zijn jongen acht dagen om de vorsten van de kerk, het koor, het Heiligdomskoortje en de sacristie die los zijn er weer op te zetten en de weggeslagen leien aan te vullen.


    torenbrand in 1538 of 1546

    Al in 1999 schreef ik grote twijfels te hebben bij de kroniek van Jan de Bije en dat de torenspits niet in 1538, maar in 1546 afbrandde. In dat jaar brandt "Michaël" af. Het kan niet anders of hiermee wordt de torenspits bedoeld. De aartsengel Michaël wordt in knekelhuizen en hoog op torens aangetroffen. Ook slaat een pilaar van de hoogste trans een groot gat in de zijbeuk boven het altaar van de heilige Barbara en valt in tweeën. De directe herstelwerkzaamheden vallen mee. Er worden weer nagels en stopnagels gekocht. De dekker en zijn jongen worden voor één dag arbeid uitbetaald. De timmerman heeft een halve dag werk. Dierick Hermansz. krijgt drie stuivers om het een en ander van het kerkhof af te voeren. Waarschijnlijk zijn dit de resten van de spits. Met de klokken is zo goed als zeker niets gebeurd. We lezen er niets over en ze blijven hun werk doen: luiden en beieren. In 1547 wordt een nieuw luik boven de klokken gemaakt. Begin 1548 wordt een reis per kar naar Heerewaarden ondernomen om touw te halen. Het vorige touw is bij de brand van de toren gevallen! Dit is nog een aanwijzing dat de spits in 1546 afbrandde. In 1547 is er nog een grote uitgave. Deze kan iets te maken hebben met de bluswerkzaamheden van 1545. Van donderdag voor beloken Pasen tot zaterdag na beloken Pasen is er gewerkt aan de balken op de zijbeuken. Deze waren in de muren afgerot. "Zij hebben onderslagen die balken die in die mueren afgeroth waren en weder ondervangen". Omdat er op de zijbeuken geen licht was lezen we: "soe hebben sie carssen (kaarsen) verbrant tot 8 pond toe." Ook worden er tweehonderd planken ende een virdell (een vierde deel?) naar boven gehesen om de bovenste balken op het gewelf met planken te dekken. Dit naar boven hijsen van de planken zal met de nog aanwezige eeuwenoude takelinstallatie door het gat in het gewelf van het schip zijn gebeurd.

    In 1544 is er acht dagen werk voor de leidekker met zijn jongen. Dit kan gewoon onderhoudswerk geweest zijn. (zie Sint Maarten Bulletin nr. 30). 



    Zaltbommel omstreeks 1560 door Jacob van Deventer
    de toren afgebeeld zonder spits


    nieuwe spits

    Dan krijgt de toren een nieuwe spits. Waarschijnlijk na 1560. Op de ongeveer uit dat jaar daterende plattegrond van de stad van Jacob van Deventer zien we de toren nog zonder spits. Op diverse afbeeldingen van na 1560 zien we een spits in renaissance stijl.


    Het Beleg van Zaltbommel in 1599 door Johannes Janssonius
    de toren afgebeeld met de tweede spits
    afbeelding afkomstig uit:
    "Nassouser Heldens Pronk-Toonneel Opgetooydt,
    en Volcierdt met de Keurlijkste Helden van Nassou en Oranje"
    bron: wikipedia


    Op het Kerkportret, dat zoals ik aan het begin van dit artikel schreef mogelijk in 1562 werd voltooid, zien we een spits in gotische stijl. Dit zal een interpretatie zijn van hoe deze er voor 1546 heeft uitgezien.


    Nieuwe Klok

    Er zou na 1560 ook een nieuwe luidklok met het volgende opschrift in de toren zijn gehangen:

    "Anno vijftien hondert acht en dertig om
    Donderde de toren van bommel om
    Actum factum donder om
    Heer der Heeren nooit weêrom".

    Dit laatste is een zo goed als zeker een later gefantaseerd verhaal. Met de klokken was niets gebeurd. Omstreeks 1560 leefden er ook nog wel ooggetuigen die dit hadden kunnen melden. Voor de reformatie zal men zeker geen klok met zo'n opschrift in de toren gehangen hebben. Klokken, die men een ziel toedacht, werden "gedoopt" (met heilig water ingewreven en gezalfd) en kregen een naam. We weten van de doop van een klein klokje dat in 1547 werd gegoten. Jammer genoeg is de naam ons niet overgeleverd. De kerkmeesters gaan naar Jan Moer in Den Bosch met een gebarsten klokje van 189 pond en een gebarsten schel van 6 pond om hier een nieuw klokje van te laten maken. Het was een belangrijk klokje (zeker niet bij de brand van 1546 gebarsten), want men kreeg er dadelijk één van Jan Moer in leen. Waar het gehangen heeft weten we niet. Mogelijk in de dakruiter?
    Hans Sanders gaat in een artikel nader op de klokken in.



    profielaanzicht van Zaltbommel uit de
    eerste helft 17de eeuw door Guiccardini Ludovico
    de toren afgebeeld met de tweede spits
    afbeelding afkomstig uit:
    "Discrittione de tutti i Paesi Bassi"
    bron: verwijderde website van uitgeverij de Vorl


    uurwerk 

    Bij het bekijken van het Kerkportret valt het mij op dat er geen wijzerplaten te zien zijn. Dan rijst de vraag of er in de eerste helft van de 16e eeuw een uurwerk in de toren stond. Het ontbreken van wijzerplaten hoeft niet te betekenen dat er geen uurwerk was. De slagklok wordt er (ook) mee bediend. Geen enkele onderhoudsbeurt of reparatie van uurwerk of slagklok in de toren komen we tegen. Dit in tegenstelling tot de periode na 1585 waarin dit wel het geval was. Wel stond er een uurwerk op het koor. Dit kunnen we op twee manieren opvatten: op het koor of letterlijk op het koorgewelf. Je zou aan het laatste kunnen denken, omdat blijkt dat de koster die het regelmatig moet "stellen", dit jaren niet gedaan heeft. Hij wordt voor het stellen wel steeds betaald. Een klim naar boven is hem misschien te veel. Hoewel, de lampen in portaal en Heilig Graf had hij ook niet aangestoken en daar hoefde hij niet voor naar boven. Mocht het uurwerk op het koorgewelf hebben gestaan, dan zou er misschien een verbinding geweest kunnen zijn met de klok in de dakruiter om deze te laten slaan (speculatief). Misschien heeft men in de tijd dat het koor en het oostelijk deel van het schip (met dakruiter en klok) gebouwd zijn en de toren nog niet klaar was, toch behoefte aan het slaan van een klok. Claes die Sloetmaker (slotenmaker) moest dit uurwerk repareren. Er waren raderen gebroken.



    Salt Boemel uit de Atlas van Johannes Blaeu uit 1649
    de toren afgebeeld met de tweede spits


    blikseminslag in 1696

    De tweede spits is een langer leven dan de eerste, maar in 1696 wordt ook deze door bliksem getroffen. Van deze gebeurtenis bestaan ook verschillende verhalen. In tegenstelling tot het gebeuren in 1538 komen deze toch wel op hetzelfde neer. Een Rotterdamse dominee maakt er een geromantiseerd verhaal van. Dat laten we nu maar voor wat het is en volgen een handschrift dat sinds 1995 op het Streekarchief ligt (inv.nr.20/1600). Op de bladzijde, die waarschijnlijk uit een register van één van de archieven van de stad is gescheurd, staan aantekeningen van drie gebeurtenissen vermeld. Een aardbeving in 1692, extreem hoogwater in 1694 en een blikseminslag in de Sint-Maartenstoren in 1696. Tot 1995 heeft deze bladzijde jarenlang ingelijst gehangen in het Maarten van Rossummuseum thans Stadskasteel.

    Hieronder de tekst van de blikseminslag van 1696:

    "Ao 1696 op sondagh den 26 Julij is hier
    te bommel na de eerste predekasi door
    donder en blixsem den brant in den appel
    van de grotte toren geslagen dat men na
    de tweede predekasi savons ten 6 uren
    eerst gewaer wiert en rackte in lichten
    brant waer door den appel en haen van boven
    neder quaem de grotte metale klock slogt
    noch 9 uren in den brant hangenden en viel
    eve na den lesten slagh neer was toe
    gebogen door de hette en den val en een
    gedelte gesmolten alle balkens en houtwerck
    dat in den toren was boven het verwulf
    vande klocke daer men meeij luijt brande
    schon uijt allen door godts goet heijt
    wiert het vier inden toren gehouden als
    in een hert (haard) of schorsteen en eijnde lijck door
    de hulip van borgers tver brande hout noch
    uijt gegooten soo dat muerwerck is blijven staen."


    geen derde spits

    In 1698 komt er een nieuwe klok. De Groot meldt op blz. 253 dat in het resolutieboek van de stad op 15 juli 1708 het volgende te lezen staat:
    "wordt besloten de noodige reparaties aan het koor der kerk te doen verrichten als mede om het maken van een nieuwe spits op den grooten toren, waarvan de modellen en bestekken zijn ingekomen, uit te stellen wegens het vergevorderde zomerseizoen."
    Van dit uitstel zou afstel komen. De spits werd tot nu niet herbouwd. Ook niet eind twintigste eeuw als de Stichting Torenspits wordt opgericht. Later wordt dit Stichting Dakruiter.


    De Bommelaars zijn verknocht aan hun toren zoals deze nu is. Van de plannen om voor de in 1799 afgebroken dakruiter een nieuwe te bouwen is, ondanks het feit dat het materiaal klaar lag, ook niets gekomen. Het dak wordt dichtgemaakt en het materiaal afgevoerd. Twee eeuwen na 1799 kwam er, ondanks weer vergevorderde plannen, ook geen nieuwe dakruiter.


    bliksemafleider

    En dan vindt in 1752 de Amerikaan Benjamin Franklin de bliksemafleider uit. Wanneer de Sint-Maartenskerk hier mee beveiligd werd weten we (nog) niet. Waarschijnlijk wordt in eerste instantie de toren van een bliksemafleider voorzien. In de vergadering van de kerkvoogdij d.d. 30-4-1898 komt een circulaire van de algemene synodale commissie der Nederlandshervormde Kerk ter sprake. Hierin wordt de vraag gesteld of de kerktoren voorzien is van een bliksemafleider. Aan de commissie wordt gemeld dat de toren, eigendom van de burgerlijke gemeente, inderdaad van een bliksemafleider is voorzien. Deze wordt jaarlijks nagekeken. In 1855 heeft men al vergaderd over de vraag om het bovengedeelte van de kerk van een of twee draagbare brandspuiten te voorzien. Misschien is het aanbrengen van een "afleijder" doelmatiger en minder kostbaar. Het aanbrengen van een bliksemafleider gaat niet door. In 1912 ontstaat er onenigheid, omdat iemand namens de burgerlijke gemeente op het terrein van de kerk is gekomen om de bliksemafleider in een in de grond geslagen buis te brengen. Voor het slaan van deze buis had de kerkvoogdij geen toestemming gegeven.


    blikseminslag in 2002

    Tegenwoordig is het hele kerkgebouw beveiligd, maar afdoende is het niet. Op 18 juni 2002 wordt de toren weer door bliksem getroffen. Een pinakel aan de zuidoost-zijde wordt geraakt. Weliswaar heeft de bliksemafleider zijn werk goed gedaan, maar niet tegenstaande dat, is de pumeel (het uiteinde van de pinakel) naar beneden gevallen. Het brok natuursteen van ongeveer 50 cm is aanvankelijk op een balustraderand gevallen en vervolgens in twee stukken naar beneden gekomen. Zowel het noordelijk als het zuidelijk dakvlak worden getroffen door de brokstukken. Het zuidelijk wordt zo ernstig geraakt dat naast kapotte leien ook het dakbeschot een gat opgeloopt. Het noordelijk dakvlak heeft alleen schade aan een aantal leien. De volgende dag herstelt de aannemer de schade. De verzekering dekt de schade. De pumeel is enige tijd later bij de restauratie van de koorkap in 2004 opnieuw aangebracht.

    De dag na het onweer blijkt dat door de inductie van de inslag veel elektronische apparaten in de kerk niet meer werkten. Zo is de automatische verbinding met de brandweermeldkamer in Nijmegen verbroken, blijkt de floodlightinstallatie ontregeld en is de synchronisatie van het uurwerk kapot. Dit soort schadeposten waren de kerkmeesters van eeuwen terug onbekend.


    vijf blikseminslagen

    Samenvattend kunnen we stellen dat de Sint-Maartenskerk in 1538, 1545, 1546, 1696 en 2002 door blikseminslag is getroffen.


    dankwoord

    Dank aan Hans Sanders voor het meedenken en uittypen van de tekst, Majo Slosser voor het opzoeken van het een en ander in de bibliotheek van het Stadskasteel en Hans Bams voor het online zetten van dit verhaal.



                                                       Marina Bams-van der Staaij
    Augustus 2010

     

    bronnen

    Bronnen voor zover niet vermeld in de tekst.

    Ongedrukte bronnen:
    Bisschoppelijk Archief te ’s-Hertogenbosch
             Kerkrekeningen van Zaltbommel 1534-1548.
    Streekarchief Bommelerwaard te Zaltbommel
             Oud-Archief van de Gemeente Zaltbommel inv. Nr. 1158.
    Archief van de Hervormde Gemeente Zaltbommel inv. Nr. 800,805 en 806.
    Gedrukte bronnen en literatuur:
    Anoniem,….dreef de torenspits van Bommel in Sint Maarten Bulletin nr. 13.
    D.W.van Dam, Een rekening der Sint-Maartenskerk te Zaltbommel. Bijdragen en Mededelingen der Vereniging “Gelre”, 1921.
    P.N.van Doorninck, Schatting van de Lande van Gelre voor het Overkwartier en de Betuwe van 1369, naar het oorspronkelijk handschrift in het Staatsarchief te Dusseldorp, Haarlem 1903.
    A.M.Frenken, Bommelensia, Archief van de Katholieke Kerk in Nederland, 8e jaargang, afd. 1, 1966.
    J.H.de Groot, Zaltbommel, Stad en Waard door de eeuwen heen. Zaltbommel 1979 o.a. blz. 57 ,67 ,86 ,123 en 470.
    Dr.H.J.Haslinghuis en Dr.ing.H.Janse, Bouwkundige termen, verklarend woordenboek van de Westerse architectuur- en bouwhistorie, Leiden 1997.
    Historische Kring Bemmel, Genealogie van Ambrosius de Bije, 2008.
    W.R.de Jong, Geschiedenis van het Bisdom Utrecht in de Middeleeuwen, Utrecht 1926.
    N.C.Kist en H.J.Royaards ,Nieuw Archief Kerkelijke Geschiedenis deel II , Leyden 1854 .
    H.Sanders, Blikseminslag, Nieuwsbrief door en voor de vrijwillige medewerkers van de Stichting Sint Maarten te Zaltbommel, nr. 0, juli 2002.
    A.G.Schulte, Het 16e eeuwse “Kerkportret” van de St.-Maartenskerk in Sint Maarten Bulletin nr.3.




    contact: sint.maartenskerk@gmail.com

    officiële website van de Sint-Maartenskerk:






    "in de grote stad Zaltbommel"


     De Zomerzangertjes van de Sint-Martinusschool uit het Vlaamse 
    Zomergem bezingen, onder leiding van meester Luc Keirse, 
    de Zaltbommelse torenspits. (maart 1990)


    In de grote stad Zaltbommel, bommel
    Heerste grote watersnood
    En zo menig arme drommel, drommel
    Die niet zwemmen kon ging dood

    En te midden van die rommel, rommel
    Dreef de torenspits van Bommel, Bommel
    En te midden van die rommel, rommel
    Dreef de torenspits in 't rond

    Op een vlot van houten planken, planken
    Zat een grote herdershond
    Zo erbarmelijk te janken, janken
    Omdat hij zijn baas niet vond

    Een matroos met houten benen, benen
    En een rode zwembroek aan
    Zat als een klein kind te wenen, wenen
    Want zijn schip dat was vergaan